Leren
leren
VOOR DE KINDEREN
1. LESSEN LEREN ... BEGIN ERMEE IN DE KLAS
VOOR DE OUDERS
HOE KAN IK MIJN KIND HELPEN BIJ HET STUDEREN?

VOOR DE KINDEREN
1.LESSEN LEREN ... BEGIN ERMEE IN
DE KLAS.
Lessen
leer je thuis, denk je wellicht. Toch is dat maar gedeeltelijk waar. Lessen
leren begint in de klas. Als je goed meewerkt en oplet in de klas, hoef je
thuis niet zo heel lang meer te studeren.
Maar wat is dat dan, goed meewerken in de klas ?
- Probeer met je aandacht heel goed bij de les te blijven.
- Denk mee als je leerkracht iets uitlegt : volg alle stapjes in de uitleg mee
en probeer elke stap te begrijpen. Als je een stapje niet begrijpt, vraag dan
uitleg !
- Als andere leerlingen een beurt krijgen, volg dan mee. Ook van je
medeleerlingen kan je heel wat leren.
- Als je schriftelijke oefeningen oplost, werk dan zelfstandig. Vraag alleen
hulp van de leerkracht als je echt alles geprobeerd hebt om zelf een oplossing
te vinden.
- Je mag gerust fouten maken in je werk, niemand is perfect. Bedenk wel waarom
je antwoord fout is en wat je moet doen om tot een juiste oplossing te komen.
- Een ordelijk en
verzorgd geschreven werk kan je veel gemakkelijker instuderen.
WAT JE ECHT BEGRIJPT, ONTHOUD JE VEEL GEMAKKELIJKER !
Terug naar overzicht
-
2.NEDERLANDS
* In de
klas
LUISTER- EN SPREEKLESSEN
- Doe actief mee.
- Luister aandachtig en geconcentreerd.
- Volg de gedachtegang mee, ook als je zelf niet aan de beurt bent.
- Durf ook zelf het woord te nemen.
- Blijf bij het
onderwerp en overdenk eerst wat je gaat zeggen voor je het woord vraagt.
SPELLINGLESSEN
- In de lessen spelling is het van belang dat je met zorg en foutloos
(over)schrijft.
- Schrijf onthoudwoorden meermaals over. Prent daarbij de moeilijkheid goed in je hoofd.
- Zorg ervoor dat je bij regelwoorden de regel begrijpt en kan toepassen.
- Hou een lijst bij van woorden die je moeilijk vindt.
- Heb je in de klas een momentje tijd, maak dan een zelf- of een partnerdictee. Kies daarbij uit de lijst van moeilijke woorden.
LEESLESSEN
- Verken eerst de tekst : titel, tussentitels, illustraties. Vraag je af wat je
al weet over de tekst.
- Lees aandachtig ! Stop af en toe en vraag je af wat je gelezen hebt.
- Zoek moeilijke woorden op in een woordenboek.
- Moet je vragen beantwoorden, zoek dan de antwoorden in de tekst.
- Als je mag samenwerken met je buur, bespreek dan met elkaar waarom een antwoord volgens jou goed of fout is.
- Volg bij de klassikale besprekingen de uitleg goed mee. Leer van je fouten !
STELLEN
- Werk volgens de stelstappen. Het is misschien even wennen, maar je stelwerkjes
zullen er een heel stuk op vooruitgaan als je eerst goed overdenkt wat je gaat
schrijven.
- Besteed voldoende aandacht aan het herlezen, het controleren van je werk.
TAALBESCHOUWING
- Belangrijk hierbij is goed te leren redeneren. Dat kan als je de redeneringen van de leerkracht of een medeleerling goed mee volgt.
- Vaak moet je jezelf
een aantal vragen stellen, om tot een juist antwoord te komen. Doe dat ook !
* En thuis
SPELLING
- Regelmatig oefenen is de boodschap ! Elke dag 5 minuutjes is zeker niet te
veel.
- Maak een lijst van moeilijke woorden en oefen vooral deze woorden.
- Een goede werkwijze bij het leren van onthoudwoorden is de volgende : lees drie woorden, bekijk ze aandachtig, dek ze af en schrijf ze op, controleer nauwkeurig.
- Bij het leren van regelwoorden lees je eerst de regel. Probeer hem te begrijpen en in te prenten. Daarna oefenen : woorden schrijven en controleren of je de regel juist toepast.
TAALBESCHOUWING
- Taalschatoefeningen (woordverklaringen, spreekwoorden, zegswijzen) moet je
meestal echt van buiten leren. Wees daarbij niet te vlug tevreden.
- Oefen vooral wat je
zelf moeilijk vindt op het vlak van taalbeschouwing. Gebruik daarvoor je
werkboek en/of je taalboek. Maak enkele oefeningen opnieuw en controleer jezelf.
TOETSEN
- Vraag
steeds aan je leerkracht een duidelijk overzicht van wat je moet leren voor een
toets.
LEZEN
- Regelmatig een goed jeugdboek lezen helpt je echt om een goed taalgevoel te
ontwikkelen. Je woordenschat wordt er rijker door en je leert goede zinnen
bouwen. Bovendien leer je je inleven in andere personen en situaties. Lezen in
goede jeugdboeken kan echt leuk zijn. Weet je niet goed welke boeken kiezen,
vraag dan hulp aan je ouders of aan je leerkracht. Probeer iedere dag minstens
een kwartiertje te lezen.
VOORDRAGEN
- Lees eerst je gedicht enkele malen expressief luidop. Let op een verzorgde
uitspraak en een juiste toon. Spreek luid genoeg. Denk al na over passende
gebaren, attributen, gezichtsuitdrukkingen, ...
- Leer je gedicht perfect van buiten. Een lang gedicht verdeel je in stukken. Herhaal dit enkele dagen na elkaar, tot je het gedicht juist en zonder nadenken kan opzeggen.
- Oefen nog enkele malen
hardop met gebaren, attributen, ... Ben je erg zenuwachtig om voor de klas voor
te dragen, zorg er dan voor dat je als eerste aan de beurt bent. Als je een
beurt gehad hebt, kan je nog genieten van de voordracht van de andere
leerlingen, zonder jezelf nog zorgen te moeten maken.
EXPRESSIEF LEZEN
- Lees eerst de tekst in stilte. Zoek woorden die je niet begrijpt op in een
woordenboek
.- Oefen daarna luidop. Beeld je in dat je het verhaal voorleest voor je kleine broer of zus. Lees luid genoeg en op een goede toon. Lees niet te vlug en pauzeer even aan de leestekens.Terug naar overzicht

3.WISKUNDE
* In de
klas
- Volg de
uitleg van de leerkracht goed mee.
- Vraag uitleg als je iets niet begrijpt.
- Werk zo zelfstandig mogelijk aan de oefeningen.
- Krijg je een oefening niet onmiddellijk opgelost, gebruik dan een hulpmiddeltje zoals een tabel, een tekening, een omzetting van % in breuk of kommagetal, ...
- Zeg voor jezelf wat
je moet zoeken. Vaak moet je werken met tussenstappen om tot een oplossing te
komen. Soms kan het ook helpen in een oefening of vraagstuk de getallen te
vervangen door eenvoudigere getallen.
- Moet je cijferen, controleer dan steeds je oefening.
- Gebruik je gezond verstand en kijk na of je antwoord wel mogelijk is.
- Bij een vraagstuk duid
je eerst aan wat gegeven en gevraagd is.
* En thuis
- Lees de leerstof aandachtig na.
- Sommige leerstofonderdelen, zoals formules of regels voor hoofdrekenen moet je echt van buiten leren. Voor je van buiten leert, eerst begrijpen !
- Maak enkele oefeningen en controleer jezelf.
- Lukt het nog niet, studeer dan nog eens opnieuw. Vraag uitleg thuis of schrijf je probleem op en vraag uitleg aan je leerkracht.
- Je weet zelf welke leerstof je moeilijk vindt en welke niet. Herhaal. Terug naar overzicht
4.WO
Neem de
teksten in je boek, je werkschrift of je onthoudbladen door in vijf stappen.
1. VERKENNEN
-
Waarover gaat de les ?
- Lees de titel en de tussentitels.
- Bestudeer de prenten en de illustraties.
- Vraag je af wat je al weet over de les.
2. LEZEN EN BEGRIJPEN
- Lees de tekst aandachtig door.
- Wat je niet begrijpt, zoek je op in de woordenlijst achteraan in je boek of in
een woordenboek.
- Wat je daar niet vindt, moet je durven vragen aan je leerkracht. Schrijf het
op een briefje en vraag uitleg tijdens de volgende les.
3. INPRENTEN
- Lees de tekst opnieuw. Zoek sleutelwoorden. Zoek de hoofdgedachte van
alinea's. Vat regelmatig samen wat je gelezen hebt.
- Noteer de sleutelwoorden in een schema.
-
Stel zelf vragen bij de tekst en los ze op. Stel je voor dat jij de leerkracht
bent en maak zelf een toets. Er mogen gerust moeilijke vragen bij zijn.
4. HERHALEN
- Doorloop de eerste drie stappen de avond dat je de les in de klas gekregen
hebt.
- Herhaal de les nog minstens één, maar liefst twee keer op een regenachtige
dag, enkele dagen voor een toets.
5. CONTROLEREN
- Los de vragen nog eens op die je zelf opgesteld hebt.
- Probeer de les aan de hand van het schema met je eigen woorden na te
vertellen.
- Neem je werkboekje erbij, dek de antwoorden af en probeer de vragen opnieuw
te beantwoorden.
Terug naar overzicht

5.FRANS
* In de
klas
- Bij het
leren van een taal is luisteren en nazeggen heel belangrijk. Zo leert een baby
ook zijn eerste woordjes.
- Het is dus belangrijk dat je in stilte meedoet, als de leerkracht een tekst leest of een oefening voordoet of als een medeleerling aan de beurt is.
- Het is ook van belang dat je de Franse zinnen volledig begrijpt. Ben je de betekenis van woorden vergeten, vraag dan uitleg of zoek ze op in de woordenlijst.
- Schrijf verzorgd en
heel nauwkeurig. Controleer jezelf voortdurend.
* En thuis
WOORDENSCHAT
- Dek eerst de Nederlandse woorden af. Lees de Franse woorden en vertaal ze. Controleer voortdurend. Zet woorden die je moeilijk kan onthouden op een apart blad. Oefen die woorden regelmatig opnieuw in.
- Dek dan de Franse woorden af. Lees de Nederlandse woorden en vertaal ze in het Frans. Controleer jezelf voortdurend. Zet woorden die je moeilijk kan onthouden op een apart blad en oefen die woorden regelmatig opnieuw in.
- Neem dan een blaadje en dek de Franse woorden af. Lees de Nederlandse woorden en schrijf de Franse woorden op. Controleer jezelf heel nauwkeurig. Zet woorden die moeilijk zijn voor jou op een apart blad en oefen die woorden regelmatig opnieuw in.
TEKSTEN EN DIALOGEN
- Lees de leesteksten thuis eens hardop, met een goede intonatie en met zo weinig mogelijk fouten. Begrijp je alles goed ? Zoek in je woordenlijst achteraan als er nog iets onduidelijk is.
- Herlees de tekst nu enkele keren hardop. Beeld je in dat je echt tegen iemand spreekt en dat je die persoon iets moet vertellen of hem moet overtuigen.
OEFENINGEN EN GRAMMAIREKADERS
- Lees de grammaire-kaders aandachtig. Ook hier eerst begrijpen en dan inprenten.
- Maak de oefeningen zoals aangeduid. Als je antwoorden moet afdekken, controleer jezelf dan voortdurend. Oefen regelmatig luidop.Terug naar overzicht
6.JE WERKKAMER
Enkele
tips voor wie een eigen werkkamer heeft :
- Zorg dat het gezellig is, je moet er immers heel wat tijd doorbrengen.
- Zorg dat er voldoende verlichting is.
- Zorg voor orde, zo spaar je tijd.
- Woordenboeken en werkmateriaal moeten steeds binnen handbereik zijn.
- Geen televisie in je werkkamer.
- Muziek kan, maar tijdens het studeren alleen zachte achtergrondmuziek.
- Zorg voor voldoende
verluchting.
Enkele tips voor wie geen eigen werkkamer heeft :
- Alle tips hierboven gelden ook voor wie geen eigen werkkamer heeft.
- Zorg dat je van op je werkplek niet te veel zicht hebt op je andere huisgenoten of op tuin of straat.
- Zorg voor voldoende ruimte aan je tafel.
- Zorg ervoor dat andere huisgenoten je met rust laten als je aan het werk bent.Terug naar overzicht
7.THUIS
Zorg
ervoor dat je een eigen plek hebt om te werken. Je mag het gerust een beetje
gezellig maken, maar let op dat je je niet omringt met te veel afleiders !
Stel je de volgende vragen :
- Wat moet ik doen ? (Gebruik hiervoor je agenda.)
- Wanneer ga ik dat doen ? (zie tijdsindeling)
- Hoe ga ik dat doen ?
De leerkracht geeft je regelmatig tips hoe je het leren van je lessen aanpakt. Ook op deze website vind je een heleboel tips voor het leren van je lessen Frans, Nederlands, Wiskunde en WO.
- Hoe ga ik mezelf controleren ?
Als je jezelf controleert, wees dan niet te vlug tevreden. Als je vaststelt dat
je je les nog niet goed kent, vraag je dan af hoe je het beter kan aanpakken en
leer opnieuw.Terug
naar overzicht

- Voorzie elke schooldag een half uurtje tot drie kwartier voor je huiswerk en je lessen. De dagen voor een toets reken je best op een uurtje. In hogere leerjaren is 1 uur tot anderhalf uur werken aan je taken en lessen niet ongewoon.
- Sommige kinderen werken graag aan één stuk door, andere kinderen willen graag even ontspannen tussendoor. Beide werkwijzen zijn goed. Als je je studietijd onderbreekt voor wat ontspanning, moet je er wel voor zorgen dat je telkens vlug terug in de juiste 'studiesfeer' geraakt.
- Je kiest best zelf het moment wanneer je thuis werkt. Wijk niet af van die keuze ! Van uitstel komt immers afstel.
- Je moet zelf je studie-uurtjes plannen. Het kan goed zijn om in je weekschema, afhankelijk van de andere activiteiten die je nog op het programma staan hebt, je studie-uurtje op vaste tijdstippen te plannen. Na enkele weken ben je die vaste uren gewoon en hoef je jezelf niet telkens te dwingen om aan de slag te gaan. Als je gepland hebt wanneer je je les gaat leren, dan moet je je wel echt aan dat uur houden.
- Verlies geen tijd met prullen, turen of dromen.
- Ook orde in je schriften en kaften, een duidelijk en volledig ingevulde agenda en een opgeruimde werkplek kunnen je heel wat tijd besparen.Terug naar overzicht
1. INLEIDING
Stel je volgende
situatie voor : “Onze Tom zit heel de tijd achter zijn bureau en toch haalt hij
weinig punten. Als ik ’s avonds zijn les opvraag, dan kent hij die. Ik begrijp
niet dat hij de volgende morgen alles vergeten is. Hij heeft waarschijnlijk de
juiste studiemethode niet gevonden, meester”.
Wellicht vind je in dit verhaal heel wat dingen terug van jouw kind. Je kind
zet zich voor 100 % in en het haalt geen resultaat volgens de geleverde
inspanningen. Het liefst van al zou je willen helpen. Je vraagt je af : kan en
mag ik mijn kind wel helpen studeren. Het antwoord is ja , maar …
* Helpen studeren is
niet :
-
alles in zijn plaats doen,
- alles in zijn plaats organiseren
- er voortdurend naast gaan zitten en hem , telkens hij iets fout doet
onderbreken.
* Helpen studeren is wel :
- meewerken aan een rustige werkomgeving,
- zorgen voor de nodige studiestimulansen,
- en vooral : helpen een goede studiemethode opbouwen.
2. STUDEREN IS EEN
VIJFSTAPPENPLAN
A.
Afbakenen
Een les begint met te zoeken wat je moet leren en waar je het kunt vinden. In
het lager onderwijs stelt dit weinig problemen gezien de leerkracht de te
studeren lessen in de agenda laat noteren. Het meest voorkomende probleem is
dat kinderen een stuk vergeten te leren. Bijv. in het handboek maar ook op
fotokopieën die de meester/juf heeft gegeven.
B. Diagonaal lezen
In een korte tijd tracht je kind te vernemen waarover het gaat. Dit is niet
alles woord voor woord lezen, maar wel de titeltjes, de vetgedrukte woorden, de
kadertjes, enz. Zo ontdekt het samenhang in de les. Met andere woorden,
structuur.
C. Begrijpend lezen
Nu kan je kind beginnen met de tekst te lezen. Je kind moet terwijl het leest
de tekst onderbreken en met zijn eigen woorden navertellen. Kan het dit niet
doen dan moet het teruggaan en opnieuw lezen tot het écht snapt waarover het
gaat. Heeft je kind nog problemen dan moet het bronnen raadplegen. Vele
kinderen vergeten dat ze nogmaals uitleg mogen vragen aan de leraar. Uitleg
vragen is geen schande.
D. Memoriseren
Val niet van de trappen. Heel wat kinderen passen bij het studeren alleen deze
trap toe : ze slaan hun schrift open, lezen het eerste zinnetje, richten hun
ogen ten hemel en trachten het zinnetje na te prevelen tot ze het uit het hoofd
kennen. Ze leren hun les van buiten, zonder te begrijpen waarover het gaat. Het
is van het allergrootste belang : eerst begrijpen, dan memoriseren. Ik
beklemtoon nu al dat trap 4 (memoriseren) en trap 5 (zichzelf controleren) hand
in hand gaan.
Technieken
om te memoriseren
Niet alles in een tekst is belangrijk. Daarom kan je de belangrijkste dingen markeren. Het zijn de kapstokken van de les die je moet zien te vinden. Deze kan je omkaderen met fluorescerende stiften. Laat je kind in het begin met een potlood markeren, want anders is de tekst gegarandeerd een kunstwerkje.
Vragen ontwerpen, waarvan je denkt dat de leraar ze zou kunnen stellen. Hierin heb je 2 soorten : vaak komen de kennisvragen aan bod (de zogenaamde ‘wat-is’ vragen). Later moet je komen tot inzichtvragen: ( Verklaar, waarom, waardoor, geef een voorbeeld van, leg uit, …) Prima zijn vraagjes die handelen over de kapstokken van de les.
Een plannetje bevat al
het belangrijkste van de les (kapstokken). Die kapstokken worden d.m.v.
pijltjes, gelijkheidstekens in hun logisch verband geplaatst. Je kind mag gerust
een tekening erbij maken, want wat je kind gezien heeft wordt beter onthouden
dan iets wat hij ‘gelezen’ heeft.
Besluit : wie kapstokken zoekt, dringt door tot de kern van de zaak. Je kind is
actief bezig met de les ( onderstrepen, schrijven, tekenen). Onthoud :
memoriseren is een werkwoord ! (Veel beter dan naar een blad zitten staren, tot
je kind in slaap valt.)
-
Controleren : een noodzaak
Het controleren begint reeds tijdens het memoriseren. Het is geen tijdverlies
maar tijdwinst! Je kind ontdekt wat het al kent en moet alleen tijd steken in
wat het niet kent.
- Zijn papa en mama 'gebruiksvoorwerpen' ?
In het lager onderwijs (en dan vooral in de eerste en tweede graad) is een kind
nog onvoldoende rijp om alles direct te kunnen. Wanneer het kind zijn les
geleerd heeft, vraag dan gerust zijn lessen op. Later, in een derde graad en in
het middelbaar, zal de leerling zichzelf moeten, kunnen controleren.
- Controleren : mondeling of schriftelijk ?
Indien je je kind mondeling controleert, dan doet hij dat best hardop.
Een drietal redenen motiveren dit. Zo is het verplicht zinnen te vormen en voelt
het aan dat zijn redenering vastloopt. Je kind is actief bezig en fouten worden
beter ontdekt wanneer hij/zij zichzelf iets onzinnigs hoort zeggen.
Schriftelijk controleren is wellicht beter.
Zo is je kind nog actiever bezig en nog minder afgeleid. De antwoorden op zijn blad kan hij vergelijken met dat van zijn schrift. Een bijkomende factor is dat het kind aandacht besteedt aan de spelling.
3. TOT SLOT
Hoe belangrijk een studiemethode ook is, het resultaat van een kind is niet alleen daarvan afhankelijk : intelligentie en motivatie spelen een even belangrijke rol. Je moet het met andere woorden kunnen en willen. Als het studeren op school moeizaam verloopt, ligt het niet noodzakelijk alleen aan de studiemethode.Terug naar overzicht